Omgaan met Kinderemoties: Praktische Vaardigheden

Emotieregulatie betekent: kunnen omgaan met gevoelens op een manier die veilig is voor jezelf en voor anderen. Bij kinderen en jongeren zie je vaak dat emoties snel kunnen oplopen. Dat gebeurt niet omdat ze niet willen, maar omdat hun lichaam en brein op dat moment “op rood” schieten. Het denken gaat dan minder goed. Een kind kan dan boos worden, in paniek raken, blokkeren of impulsief gedrag laten zien.

James Gross beschrijft emotieregulatie als een proces dat in stappen verloopt. Hij laat zien dat je op meerdere momenten kunt ingrijpen. Hoe eerder je dat doet, hoe makkelijker het is om te voorkomen dat spanning escaleert. Het fijne aan dit model is dat het helpt om concreet te kijken: waar kunnen we bijsturen? In de omgeving, in de aandacht, in de gedachten, in het lichaam of in gedrag.

Hoe een emotie ontstaat

Een emotie begint meestal met een situatie. Dat kan iets kleins zijn, zoals een opmerking, een drukke ruimte of een onverwachte verandering. Daarna gaat de aandacht naar iets toe: het kind focust bijvoorbeeld op wat niet lukt of op wat spannend is. Vervolgens geeft het kind betekenis aan wat er gebeurt: “Ze vinden mij stom”, “Dit is oneerlijk”, of “Ik kan dit niet”. Die gedachte zorgt ervoor dat het gevoel in het lichaam sterker wordt: het hart gaat sneller, spieren spannen aan, ademhaling wordt hoog of kort. Pas daarna komt vaak het gedrag: schreeuwen, slaan, wegstormen, huilen of dichtklappen.

Daarom werkt emotieregulatie niet alleen door “een kind rustig te laten praten”. Soms is praten juist te moeilijk. Dan moet je eerst het lijf en de prikkels tot rust brengen.

De verschillende vaardigheden

1) Situatie kiezen: slim voorkomen in plaats van steeds herstellen

De eerste vaardigheid heet situatie kiezen. Dit betekent dat je vooraf al inschat of een situatie helpend is of juist te zwaar. Veel kinderen kunnen prima functioneren als hun omgeving past bij hun draagkracht. Maar als ze moe zijn, honger hebben of al vol zitten van prikkels, dan kan een kleine extra spanning alles laten omvallen.

Situatie kiezen gaat dus over: “Wat is nu wijs?” Soms is de beste regulatie niet doorgaan, maar een andere keuze maken. Bijvoorbeeld een drukke plek vermijden, een gesprek uitstellen of een taak verkorten. Dit voelt soms alsof je “toegeeft”, maar eigenlijk is het preventie. Het geeft het kind de kans om succeservaringen te krijgen en niet steeds te belanden in strijd.

Een helpende houding als volwassene is: rustig en duidelijk benoemen dat je kiest voor draagkracht. Bijvoorbeeld: “Ik zie dat dit nu teveel is. We doen dit straks.” Of: “Je hoeft dit nu niet op te lossen. Eerst even landen.” Dit leert het kind tevens zelf bewust te worden van de emotie en hem zelf op te merken.

2) Situatie aanpassen: dezelfde situatie, maar wel haalbaar

Soms kun je een situatie niet vermijden. Dan komt de tweede vaardigheid: situatie aanpassen. Je laat de situatie bestaan, maar je maakt hem minder moeilijk. Daarmee verlaag je de druk, zonder dat je alles uit handen neemt.

In de praktijk zie je dit bijvoorbeeld terug door prikkels te verminderen (geluid omlaag, minder mensen erbij, rustiger plek). Ook helpt het om de situatie voorspelbaar te maken. Veel kinderen reguleren beter wanneer ze weten wat er gaat gebeuren en wat er van hen verwacht wordt. Een time-timer, een simpel stappenplan of één duidelijke opdracht kan dan al verschil maken.

Het kind kan in dit en het vorige onderdeel van het proces ook zelf leren en ervaren wat de emotie uitlokt en hem in stand houdt. Zo leert het ook zelf de juiste stappen te nemen.

Wat ook vaak helpt, is een duidelijke “uitweg”: het kind weet dat het even mag stoppen en later weer terug mag komen. Dat voorkomt dat het kind zich opgesloten voelt en daardoor gaat vechten.

3) Aandacht sturen: weg van de trigger, naar iets dat helpt

De derde vaardigheid is aandacht sturen. Wanneer spanning oploopt, gaat de aandacht vaak vastzitten. Het kind blijft kijken naar wat misgaat, naar wat oneerlijk voelt, of naar wat er dreigt. Daardoor groeit de emotie verder. Aandacht sturen betekent niet dat je gevoelens wegdrukt, maar dat je een kind helpt om niet vast te lopen in die ene prikkel.

Soms kan dit heel simpel zijn: even iets anders doen, een korte taak, een andere plek, of samen naar iets concreets kijken. Bij veel kinderen werkt een lichamelijke focus ook goed. Bijvoorbeeld: voeten voelen op de grond, handen tegen elkaar drukken, iets kouds of warms vasthouden. Dit soort oefeningen haalt het kind uit het hoofd en terug in het hier en nu.

Een helpende zin hierbij is bijvoorbeeld: “Kijk even naar mij. We gaan samen terug naar rust.” Of: “Let even op je voeten. Voel de vloer.”

4) Betekenis geven: helpende gedachten maken ruimte in het hoofd

De vierde vaardigheid heet betekenis geven, of in het Engels: cognitive change. Dit gaat over hoe je naar een situatie kijkt. Twee kinderen kunnen precies hetzelfde meemaken en toch heel anders reageren, omdat de gedachten anders zijn.

Bijvoorbeeld: als een kind denkt “Ze lachen mij uit”, dan wordt schaamte of boosheid groter. Als het kind kan leren denken “Misschien bedoelden ze het niet zo, en ik kan hulp vragen”, dan zakt de emotie eerder. Dit is een sterke vaardigheid, maar ook een vaardigheid die alleen werkt wanneer het kind alweer wat rustiger is.

Als een kind nog in volle stress zit, voelt herinterpreteren vaak als “je neemt me niet serieus”. Daarom is de volgorde belangrijk: eerst reguleren, daarna pas samen terugkijken. Op het goede moment kun je vragen stellen als: “Wat dacht je op dat moment?” en “Welke andere uitleg kan ook kloppen?” Dat helpt het kind om meer opties te zien en niet in zwart-wit te blijven hangen.

5) Emotie toelaten en verdragen: gevoelens mogen bestaan, gedrag blijft veilig

De vijfde vaardigheid is emotie toelaten en verdragen. Dit betekent dat emoties er mogen zijn. Boosheid, verdriet, angst of teleurstelling zijn niet fout. Veel kinderen raken juist extra ontregeld doordat ze het gevoel krijgen dat ze “niet zo mogen voelen”, of dat de emotie gevaarlijk is.

Toelaten betekent: de volwassene blijft in contact en geeft ruimte aan het gevoel, zonder dat onveilig gedrag wordt toegestaan. Je maakt dus onderscheid tussen gevoel en gedrag. Het gevoel mag er zijn, maar je bewaakt veiligheid.

Wat kinderen vaak nodig hebben is een kalme boodschap als: “Ik zie dat je heel boos bent. Dat mag. Ik help je.” Tegelijk is het belangrijk om te begrenzen: “Ik laat niet toe dat je slaat.” Dat is geen straf, maar bescherming.

6) Lichaam reguleren: eerst het lijf rustig, dan pas het verhaal

De zesde vaardigheid gaat over het lichaam reguleren. Bij kinderen is dit vaak de snelste ingang. Emoties zijn namelijk niet alleen gedachten; ze zitten in het lijf. Wanneer een kind in stress komt, gaat het lichaam in een soort alarmstand. Het hart gaat sneller, ademhaling verandert en de spieren spannen.

Lichaamsregulatie kan op verschillende manieren. Soms helpt bewegen, omdat het lichaam dan spanning kan afvoeren. Soms helpt juist diepe druk, iets zwaars vasthouden of stevig tegen een muur duwen. Ook eenvoudige dingen als drinken, een korte wandeling, even frisse lucht of rustig ademhalen kunnen al helpen.

Het uitgangspunt is: als het lichaam zakt, komt er weer ruimte om na te denken. Een fijne begeleidingszin is: “Eerst je lijf rustig, daarna praten we.” Dat geeft duidelijkheid én ontspanning.

7) Gedrag reguleren en herstellen: de emotie is echt, grenzen ook

De zevende vaardigheid is gedrag reguleren. Dat betekent dat het kind leert: “Ik kan boos zijn en tóch veilig blijven.” Dit is lastig, omdat impulscontrole zich bij kinderen nog ontwikkelt. Daarom is dit zelden iets wat een kind alleen kan. Het is een vaardigheid die groeit door oefening, herhaling en co-regulatie.

Wat vaak goed werkt, is een simpele stop-regel die steeds hetzelfde blijft. Bijvoorbeeld: “Stop – adem – kies.” Het helpt ook om vooraf alternatieven af te spreken. Dus niet alleen “niet slaan”, maar ook: “wat kan je dan wel doen?” Sommige kinderen kunnen dan scheuren in papier, knijpen in een stressbal, stampen op de grond of even weglopen.

Belangrijk is ook herstel. Na een uitbarsting voelt een kind vaak schaamte of leegte. Herstel helpt om weer verbinding te maken en verantwoordelijkheid te oefenen, zonder vernedering. Herstel kan klein zijn: opruimen wat omviel, een glas water brengen, een sorry zeggen (ook non-verbaal). Het gaat erom dat de relatie weer goed komt.

De belangrijkste praktische regel: eerst reguleren, daarna reflecteren

Wat in de praktijk echt het verschil maakt is deze volgorde: wanneer spanning hoog is, ga je niet discussiëren of corrigeren met veel woorden. Dan zet je in op veiligheid, prikkels omlaag en het lichaam tot rust brengen. Pas daarna komt het moment voor uitleg, leren en betekenis geven.

Veel escalaties worden groter doordat volwassenen (logisch!) gaan praten en overtuigen op het moment dat het kind al “over de rand” is. Dan voelt het kind zich vaak onbegrepen of aangevallen, en het gedrag wordt heftiger. Het helpt dan om jezelf als volwassene te zien als een anker: jij leent jouw rust uit. Rustig praten, weinig woorden, voorspelbaar handelen en stevig maar vriendelijk begrenzen is vaak de beste interventie.

Een eenvoudige begeleidlijn die bijna altijd werkt

Als je alles samenneemt, kun je het proces heel simpel maken:

Eerst komt STOP: veiligheid en grens.

Daarna komt RUST: prikkels omlaag en het lijf reguleren.

Pas daarna komt HERSTEL: verbinden, goedmaken en leren voor de volgende keer.

Deze lijn is duidelijk, rustig en herhaalbaar. Dat maakt hem zo krachtig.

Dit artikel is mede tot stand gekomen met behulp van AI.

Geef een reactie